Geschiedenis

De herkomst van de Schotse Herdershond, zoals de collie officieel heet, is niet te achterhalen.
In de tijd van de Romeinen bestonden er nog geen gezelschapshonden,
 omdat de mensen uit die tijd zich dat niet konden permitteren. 
Wat uit de geschiedenis bleek is dat de Romeinen honden hebben meegebracht naar Schotland. 
Het is echter onduidelijk wat voor invloed dit heeft gehad op de Collie. 
De honden werden geselecteerd op hun aanleg en zo ontstonden er honden die voor verschillende doeleinden 
gebruikt konden worden, zoals voor de jacht, voor bewaking en voor het hoeden en begeleiden van vee.
Deze wakers bij de kudde waren waakzaam, om niet te zeggen achterdochtig van aard. 
Zij trokken met hun bazen op, maar waren ook in staat geheel zelfstandig de strijd met eventuele belagers aan te gaan. 
Daarbij waren ze voorzien van een dikke vacht, waardoor ze alle weersomstandigheden konden weerstaan.
 Pas als de grootste bedreiging voor de kudden, de wolf, in de loop van de middeleeuwen in aantal afneemt,
komt er ruimte voor een ander soort hond. 
Een intelligente hond die weet wat zijn baas van hem verlangt en dat behendig wel even regelt.
Ook deze hond moest weer en wind kunnen weerstaan en was dagelijks met de herder en kudde op pad. 
Het type hond dat men zich hierbij kan voorstellen, zou de volgende identiteit kunnen hebben: 
middelgroot, actief, meer dan normaal intelligent en met een opvallende gekleurde vacht die tegen elk weerstype bestand is. 
Kortom: DE COLLIE.
 



Het is al even onduidelijk waar de naam collie, vroeger colley, vandaan komt. 
Shakespeare noemt verschillende keren ‘collied night’ en ‘collied brown’, 
waaruit kan worden opgemerkt dat het woord indertijd donker of zwart betekende.
Anderen daarentegen stellen dat het woord uit een oude taal, het Gaelic, stamt en dat het bruikbaar betekend.
Weer anderen verkondigen dat het woord is afgeleid van het Angelsaksische ‘coll’, 
hetgeen zwart betekend. 
Dit woord zou verwijzen naar de zwarte vacht die de voorouders van de Schotse Herdershond vaak hadden. 
Het is ook mogelijk dat het is afgeleid van ‘collar’ wat kraag of halsband betekend.
Een andere theorie is dat het woord ‘colley’ is afgeleid van ‘coaly’ of ‘colley’ 
een term die werd gebruikt voor de schapen in de Schotse Hooglanden, 
omdat ze een zwarte snuit en zwarte poten hadden.
 Omdat deze schapen werden gehoed en gedreven door herdershonden, werden die honden ‘colley’s dogs’ genoemd.

Hoe dan ook, al deze opvattingen kunnen waar zijn. 

De collie moet sinds zijn ontstaan, ergens in de loop van de Middeleeuwen,
 over grote gebieden van het noorden van Groot-Brittannië zijn verspreid. 
Dat verklaart ook de verwantschap tussen de Schotse Herdershond,  de Shetland Sheepdog en de Border Collie. 
Als showhond maakte de collie zijn opwachting in 1860, 
toen tijdens een tentoonstelling in Birmingham, voor het eerst een klasse bestemd voor ‘Sheepdogs’ open stond.
 Waarschijnlijk was die klasse bestemd voor veedrijvers, gewoonlijk Bobtails. 
Het lijkt er echter op dat collies indruk maakten, want van toen af werden de klassen voor herdershonden
 gescheiden in drie categorieën: voor langharige honden, kortharige honden en honden met een zeer korte staart.
 In 1870, op een tentoonstelling in het Londense Crystal Palace, hadden lang- en kortharige Collies eigen klassen.
 Alle collies waren daar black-and-tan, zwart-en-wit of tricolour. 
In 1871 verscheen echter een hond in de ring die alles zou veranderen. 
Zijn naam was Cockie en zijn kleur veroorzaakte een sensatie. 
Hij was een zeer aantrekkelijke sable (‘sable’: iedere tint van lichtgoud tot diep mahonie of rood met zwarte haartoppen)
 en dat was in die tijd onder langharige collies even zeldzaam als het tegenwoordig is bij de Border Collies. 
Hij bleek een zeer sterke vererver te zijn en vanaf dat moment raakte de kleur sable enorm in zwang.

Koningin Victoria, die bijzonder was ingenomen met het werk dat collies verrichten op haar landgoed
 Balmoral in Schotland, had deze honden in verschillende kleuren in haar kennel. 
Het kon dan ook niet uitblijven, dat door de grote belangstelling van de koningin de populariteit van het ras snel groeide.
Vanaf het moment dat koningin Victoria een paar collies naar Amerika stuurde 
om daar te worden geshowd zijn er steeds grote aantallen langharige Collies over de hele wereld geëxporteerd. 

Ook in Nederland is de Collie er al vroeg bij. 
Voor 1890 is hij de enige herdershond in ons land op de shows.
 In 1890 werden in Nederland geïmporteerd:
 de blue merle teef Blue Eyes, de tricolour reu Fanciful, de blue merle reu Matchly Nobel, 
de reu Roughlander en een zekere Roche Buttercop, benevens twee pups van twee maanden. 
Op de tentoonstelling te Scheveningen in 1890 verschenen maar liefst 11 Collies;
 in 1891 waren er zelfs 32 Collies ingeschreven in Amsterdam.
 

Het verschijnen van de ‘Lassie’ boeken en in het begin van de jaren ’60 de televisieserie, 
waarin de Collie ‘Lassie’ zo’n belangrijke rol speelde, veroorzaakte een enorme rage. 
De vraag naar langharige Collies liep enorm op en de broodfokkers zagen 
binnen korte tijd kans om het ras bijna kapot te fokken. 
Er werd door niets ontziende ‘vermeerderaars’ van het ras veel en gewoonlijk
 met kwalitatief slechte honden gefokt om maar aan de enorme vraag te voldoen. 
De kwaliteit van de langharige Collie liep sterk terug en de excessen 
waarmee deze waanzinnige rage gepaard ging in de Collie-fokkerij zijn niet te beschrijven. 
Gelukkig behoort deze periode nu tot het verleden en door grote inspanning van welwillende liefhebbers 
werd kans gezien om de langharige Collie weer op een internationaal hoogstaand peil te brengen.

De Collie geniet nu nog steeds een bescheiden populariteit en bij de echte liefhebbers 
van dit ras zal hij wel altijd populair blijven, 
maar zo’n rage als toen is het laatste waar men nu op zit te wachten.

naar boven